Geloofsgesprek

Troost

Met veel plezier ga ik elke zondag naar de kerk, als kerkganger of als voorganger. Het gebouw op zich is voor mij minder belangrijk dan de ontmoeting met mensen die in het gebouw samenkomen en in alle verscheidenheid het lichaam van Christus vormen. Mensen die gekomen zijn om God te ontmoeten én elkaar; die zich willen openstellen voor wat de Bijbel ons hier en nu te zeggen heeft; die samen God danken voor al het goede, maar ook niet zwijgen over hun wanhoop en twijfel; die in het gebed niet alleen maar bezig zijn met hun eigen misère, maar eveneens de ellende waarin anderen verkeren voorleggen aan God, om tenslotte heengezonden te worden als gezegende mensen.

Met evenveel plezier ga ik aansluitend koffiedrinken, gewoon omdat ik gek ben op koffie, maar vooral ook om een gesprekje aan te gaan met andere leden van het lichaam van Christus. Prachtige ontmoetingen kunnen er na een kerkdienst plaatsvinden, zoals ook een paar weken geleden. Een medegemeentelid merkte op - ik geef wat hij zei met mijn eigen woorden weer -: ‘Ik kan wel eens moe worden van alles wat ik moet als gemeentelid. Ik heb al zoveel gedaan. In bezoeken die ik vroeger als ouderling aflegde, merkte ik dat mensen in de eerste plaats troost nodig hebben.’

Ik denk dat dit gemeentelid de vinger legt bij een zwakke plek van onze samenleving: We moeten zoveel! De kramp van het moeten is ook in ons denken over de kerk binnengedrongen: Wat moeten we doen om onze kerkgebouwen weer vol te krijgen zoals vroeger?

De grondlijn in de Bijbel is niet die van het moeten, maar van troost. In het Bijbelboek de Openbaring van Johannes wordt in visioenen uitgebeeld, wat de christenen aan het eind van de eerste eeuw meemaakten. Ze leefden in de spanning: Overleven we het wel als gemeente van Jezus? In die situatie horen ze  niet wat ze ‘moeten’, maar ontvangen zij in de taal van de visioenen troost. In alle onzekerheid van de tijd krijgen ze te horen: God schenkt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De nieuwe Theoloog des Vaderlands, Stefan Paas, heeft het in een interview in Trouw kernachtig verwoord.[1] Hij is lid van de Christelijk Gereformeerde Kerk, hoogleraar aan de VU in Amsterdam en de Theologische Universiteit Kampen (Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt). Aan het slot van het interview merkt hij op ‘Wat wij doen telt mee, maar de toekomst wordt niet door ons gemaakt. Dat besef van geborgenheid, van gedragen worden, dat associeer ik met hoop.’

Laat het ons duidelijk zijn: ‘moeten’ verlamt ons, maar leven in de hoop op Gods goede toekomst maakt, dat we zonder kramp tot zegen kunnen zijn.   
                                                                                             ds. Gerhard ter Maat

 

[1] Trouw, 29 oktober 2018