Kerkelijk werker een halve dominee of…

Sinds enkele jaren zijn er in de PKN- gemeente Aalten kerkelijk werkers actief. Maar wat is een kerkelijk werker? Is hij/zij een halve dominee of gaat het om een persoon die, weliswaar in samenwerking met de predikanten, zelfstandig werk doet in de gemeente? KerkVenster zocht Heidi Ebbers en Netty Hengeveld op die beiden als kerkelijk werker in onze gemeente werkzaam zijn.

Is er verschil met het werk van een predikant?

Netty: ‘De verschillen zijn niet zo groot. Wij doen veel werk dat ook door een predikant gedaan wordt, zoals bijvoorbeeld het pastoraat. Maar wij hebben geen preekbevoegdheid. Persoonlijk heb ik na mijn opleiding nog een opleiding Vrijzinnig Religieus Pastoraat gevolgd waardoor ik wel mag voorgaan in wat vroeger NPB-gemeenten heetten. Officieel mag ik niet voorgaan in PKN-gemeenten. Maar in de praktijk komt het wel voor dat ik door een PKN-gemeente word gevraagd. In dat geval geef ik aan dat ik geen preekconsent heb en laat het aan de gemeente over hoe zij daarmee omgaan.’ Heidi voegt hieraan toe dat zij wel mag voorgaan in diensten die zijn gerelateerd aan haar doelgroep. Verder vertelt zij: ‘Het grote verschil tussen predikant en kerkelijk werker zit in de opleiding. Waar de predikant universitair opgeleid is, heeft de kerkelijk werker een hbo-opleiding gevolgd. Juist dat praktische ligt mij wel.’

In het Ouderlingenblad voor Pastoraat en Gemeenteopbouw van oktober 2017 staat in een artikel van Gerrit van Meijeren het volgende te lezen: Wie kan als bevoegd kerkelijk werker aan het werk binnen de kerk? Alleen wie de juiste (hbo)opleiding heeft, belijdend lid is van de kerk en in het kerkelijk register staat. (…) De kerkenraad kan de classicale vergadering verzoeken om preekconsent ten behoeve van de kerkelijk werker. In bijzondere situaties bestaat de mogelijkheid dat de kerkelijk werker de bevoegdheid tot sacramentsbediening wordt verleend. (…) De hbo-theoloog heeft een eigen profiel, een eigen expertise die in de kerk in toenemende mate wordt erkend en gewaardeerd. (…) Vanaf 2013 zijn de bepalingen rond het verkrijgen van een preekconsent (de toestemming te mogen preken zonder dat iemand predikant is, red.) verruimd.

Netty vervolgt: ‘We mogen wel uitvaarten doen. Maar we mogen geen doop bedienen of het Avondmaal doen. Soms is dat wel iets waar je tegenaan loopt. Laatst had ik een fijn gesprek met ouders die hun kindje wilden laten dopen. Maar dan moet ik zeggen dat ik dat dus niet mag doen. Dat is dan wel onbevredigend. Een ander verschil in het werk van predikant of kerkelijk werker is dat de predikant meedenkt met het beleid voor de gemeente terwijl de kerkelijk werker alleen verantwoording heeft voor de taak die hem/haar is toebedeeld.’ Heidi voegt hieraan toe: ‘Ik ben zelf nog zoekend maar volgens mij is men in de gemeente ook nog zoekend naar wat een kerkelijk werker precies voor werk kan doen. Dat is, denk ik, per gemeente ook wel verschillend. De inhoud van ons werk is samengesteld door de opleiding en de PKN.’ Volgens Netty is die nog steeds in ontwikkeling. ‘Dat geldt ook voor onze rechtspositie. Dat merk je ook in het pastoraat. Mensen zien je soms als een halve dominee. Bij dementerenden zeg ik gewoon dat ik dominee ben. Je kunt hun het verschil niet uitleggen en het woord dominee opent deuren. In het verleden kreeg ik wel eens het gevoel dat mensen zich afgescheept voelden wanneer hun wijk werd bemand door een kerkelijk werker in plaats van een predikant. Maar als je eenmaal een band hebt met de mensen maakt het niet zoveel meer uit of je nu predikant bent of kerkelijk werker. Wij zijn dus geen halve dominee of hulpjes van de dominee. Wij zijn theologen met een praktische insteek.’

In mijn werk ben ik betrokken bij gemeenten die een predikantsvacature hebben, een kerkelijk werker zoeken en/of zich willen bezinnen op de toekomst. Ik merk dat in die bezinning de kerkelijk werker meer in beeld komt. (…) Meer en meer stellen kerkenraden zich de vraag wat er nodig is in de fase waarin de gemeente zich nu bevindt. (….) De ontwikkeling die er te zien is in het synodale beraad over de kerkelijke werkers, is mijns inziens ook waarneembaar op het grondvlak van de gemeente. Dat wil zeggen: minder accent op de kerkelijk werker als vervanger van de dominee en veel meer oog voor de eigen positie en kwaliteiten van de kerkelijk werker. Een positieve ontwikkeling die recht doet aan de variatie aan aandachtsgebieden in de gemeente (en daarbuiten!) en aan de veelzijdigheid van de hbo-theoloog.

 

Heeft de groep waarmee je werkt je voorkeur of kwam dat toevallig zo uit?

Heidi reageert meteen: ‘Toen ik begon met de opleiding wist ik eigenlijk wel dat mijn voorkeur lag bij jongeren en kinderen. Vanaf mijn 17e doe ik al vrijwilligerswerk met die groep. De vacature voor kerkelijk werker voor die groep kwam op mijn pad maar ik wist ook meteen dat het de plek is waar ik thuis hoor.’ Op de vraag wat haar zo aantrekt in die groep antwoordt Heidi: ‘Onbevangenheid. En ik kan er mijn creativiteit heel erg in kwijt. Bij de catechese bijvoorbeeld probeer ik altijd op een manier te werk te gaan die jongeren aanspreekt. Ik gebruik dan bijvoorbeeld de vorm van een spel. Ik ben niet iemand die volgens een vast stramien werkt. Daarom ben ik ook niet geschikt om godsdienstleraar te worden. Dat ik een programma moet afwerken zou mij teveel benauwen.’ En dan lachend: ‘Eigenlijk is het de combinatie van activiteitenbegeleiding en pastoraal werk die mij aanspreekt.’ Hoewel Heidi is aangesteld voor de groep van 0 tot 25, ligt het zwaartepunt toch wel bij de groep 0 tot 16 jaar. Wanneer ik haar vraag of het niet moeilijk is met pubers te werken zegt ze: ‘Het samen op zoek gaan, samen op pad gaan spreekt mij wel erg aan. Je bent meer gelijkwaardig dan in een schoolsituatie.’ Netty merkt op dat jongeren vrijwillig komen wat Heidi deels bevestigt. ‘Maar er is ook een grote groep die door de ouders gestuurd wordt. We hebben een goed verhaal te vertellen. Maar wat hebben we de jeugd te bieden? Ik ben ervan overtuigd dat de kerk de jongeren iets te bieden heeft. Ik hoop dat ze aan mij kunnen merken waarom de kerk voor mij belangrijk is.’Netty valt haar bij: ‘Jij bent authentiek. Jongeren kunnen aan jou zien dat je eerlijk bent. Je staat niet ver boven ze.’

Op mijn vraag hoe het met haar zit vertelt Netty: ‘Ik heb ook eerst met jongeren gewerkt. Het werken met jongeren en kinderen heb ik leuk gevonden. Wat ik niet leuk vond was dat je steeds aan vrijwilligers moest trekken om dingen gedaan te krijgen. Verder vond ik het lastig om aan bepaalde verwachtingen te voldoen. Ik had bijvoorbeeld een keer een kinderkoortje geformeerd van kinderen uit de kindernevendienst. Bij een gelegenheidsdienst hebben ze gezongen. Ouderen dachten meteen dat de kerk gered was. Ik dacht toen dat ik het een volgende nog leuker, nog beter moest doen. Die grote verwachtingen vond ik moeilijk. Maar de spontaniteit, de eerlijkheid van jongeren en kinderen vond ik wel leuk. Het pastoraat in een gewone wijk geeft mij veel voldoening. Daar ligt wel mijn hart. Ik vind het wel spannend. Je komt bij mensen binnen, er ontwikkelt zich een verhaal. Je blijft scherp in zo’n gesprek. Je blijft met je aandacht bij wat er gezegd wordt. Je denkt aan wat je kunt inbrengen. Soms vertel ik wel eens iets over mijn beleving maar het moet wel dienstbaar zijn aan het gesprek. Sommige mensen zijn zo wijs. Daar kan ik nog wel een puntje aan zuigen denk ik dan. Soms is er ook de verwondering over hoe positief de mensen in het leven staan ondanks alles wat ze hebben meegemaakt.’

Waar Netty in het wijkpastoraat met name een-op-eengesprekken heeft is het jeugdwerk vooral groepswerk. Maar Heidi kan zich voorstellen dat als er eenmaal een band is, het vertrouwen ook komt. ‘Dan kan er een gesprek komen. Met jongeren kun je het beste iets doen. Al doende komen de gesprekken.’

Ten slotte merkt Netty op: ‘Onze positie, of je je prettig voelt als kerkelijk werker in een gemeente heeft te maken met hoe je predikant – collega’s je dragen, je horen, je steunen. De kerkenraad draagt je net zo. Ik ervaar dat hier als prettig.’ Heidi beaamt dit.