Dietrich Bonhoeffer de dichter

Dietrich Bonhoeffer is voor velen een fascinerend en inspirerend christen. Door zijn vele internationale contacten speelde hij een belangrijke rol in de internationale oecumene. Daarnaast was hij een van de vooraanstaande figuren van de Bekennende Kirche, een beweging binnen de kerk van Duitsland die zich kritisch opstelde tegenover de Nazi’s. Zijn poëzie is tot stand gekomen in de Tegelgevangenis in Berlijn, waar hij verbleef sinds zijn arrestatie op 5 april 1943 wegens landverraad. Enkele dagen voor het einde van de Tweede Wereldoorlog werd hij op persoonlijk bevel van de Führer op 9 april 1945 terechtgesteld. In de gevangenis draagt hij zijn eigen levenshouding uit: bidden en onder mensen gerechtigheid doen.

In gevangenschap schrijft hij brieven, gedichten en gebeden. De brieven zijn gericht aan familie, vrienden en zijn verloofde, de gebeden voor medegevangenen.

Bonhoeffer schreef het gedicht ‘Geluk en Ongeluk’  op het moment dat uitzicht op vrijlating uit de gevangenis vervlogen leek en de dood door ophanging als een zwaard van Damocles boven z’n hoofd hing. Het is een bezinning op geluk en ongeluk. Een bezinning op de breuklijn van het bestaan. Ze zijn bijna onafscheidelijk, en niet uit elkaar te halen. De tegenstellingen geluk en ongeluk kunnen door mensen weer samengebracht worden. God gebruikt ons mensen om het ongeluk te verlichten en als het ware nieuw geluk te scheppen. Dat is geluk, zelfs bij ongeluk.

Uit de laatste maanden van zijn leven stamt het gedicht ‘Goede Machten’. Het vormt zijn getuigenis dat, wat er ook op je afkomt, het door het geloof in God te dragen is.

Joke Meynen

Ongeluk en geluk,
die ons overweldigend snel kunnen treffen,
lijken aanvankelijk twee druppels water,
hitte en vrieskou bij onverhoedse beroering.

Meteoren,
weggeslingerd uit hemelse verten,
cirkelen boven ons hoofd,
lichtend en dreigend.
Getroffenen staren verbijsterd naar de ruïne
van hun dagelijkse, doffe bestaan.

Groots en verheven,
ontwrichtend en dwingend,
doet ongeluk of geluk
zijn glansrijke intree,
ongewenst of gewenst.
Mensen staan op hun benen te trillen
als ongeluk of geluk hen uitdost en zegent.

Geluk is vol vlagen van onweer,
ongeluk boordevol zoetheid.
Twee zusters, samen afkomstig
zo lijkt het, uit eeuwige sferen,
heerlijk en vreeslijk.
Passerend publiek,
aangelokt van heinde en ver
staart huiverend en afgunstig
naar het onheilig gebeuren
waarbij het onaardse chaotisch
een aards drama opvoert,
vernietigend en zegenrijk tegelijk.

Wat is geluk? Wat is ongeluk?
Pas de tijd zal ze scheiden.
Het meeslepende, onverwachte gebeuren
verandert in sleur, vermoeiend en zeurend.
Overdag laat het kruipende uur
het ware gezicht van het ongeluk zien.
De eentonigheid zat, wenden de meesten
zich van het vergrijsde ongeluk af,
teleurgesteld en verveeld.

Dit is het uur van de trouw,
het uur van de moeder en de geliefde,
het uur van de vriend en de broer.
Trouw verheft alle ongeluk
en omhult het stil
met een milde, goddelijke glans.

                                              Goede Machten

  

 Door goede machten trouw en stil omgeven,
behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar,
zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven,
en met u ingaan in het nieuwe jaar.

  

 Wil nog de oude pijn ons hart vernielen,
drukt nog de last van ’t leed dat ons beklemt,
o Heer, geef onze opgejaagde zielen
het heil waarvoor Gij zelf ons hebt bestemd.

  

 En wilt Gij ons de bitt’re beker geven
met gal gevuld tot aan de hoogste rand,
dan nemen wij hem dankbaar zonder beven
aan uit uw goede, uw geliefde hand.

  

 Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken
om deze wereld en haar zonneschijn,
leer ons wat is geleden dan herdenken,
geheel van U zal dan ons leven zijn.

  

 Laat warm en stil de kaarsen branden heden,
die Gij hier in ons duister hebt gebracht,
breng als het kan ons samen, geef ons vrede.
Wij weten het, uw licht schijnt in de nacht.

  

 Valt om ons heen steeds meer het diepe zwijgen,
de eenzaamheid, die nergens uitkomst ziet,
laat ons dan allerwege horen stijgen
tot lof van U het wereldwijde lied.

  

 In goede machten liefderijk geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
is zeker met ons elke nieuwe dag.

                                Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)

 

  

 Liedboek (2013) lied 511

 Liedboek voor de Kerken  (1973) Gezang 398,
 vertaling:Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995)