Het oorspronkelijke gebruik van de paaskaars

Het gebruik van de paaskaars gaat terug op een eeuwenlange traditie. Al in de tijd van Augustinus werd de paaskaars in de paasnacht, als een verwijzing naar de Opgestane Heer, brandend de kerk binnengebracht onder het driemaal zingen van ‘Licht van Christus’.

Vanouds brandde de paaskaars van Pasen tot na de evangelielezing op Hemelvaart. Zo was de paaskaars het teken van de Heer, die na zijn verrijzenis gedurende veertig dagen verscheen aan zijn apostelen.

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie wordt in de Rooms-Katholieke en Oud-Katholieke Kerk de paaskaars na het pinksterfeest gedoofd. Daarmee wordt benadrukt dat de Heer ons niet als wezen heeft achtergelaten, maar zijn Geest heeft gezonden opdat de gemeente zelf drager van het licht van Christus zal zijn. Na het pinksterfeest wordt de paaskaars bij de doopvont neergezet en alleen ontstoken bij vieringen waarin op een bijzondere manier de Opgestane Heer in het vizier komt, zoals bij doop en uitvaart.

De Godslamp

De rooms-katholieke en oud-katholieke traditie kent naast de paaskaars ook de Godslamp. Deze brandt dichtbij het tabernakel, waarin het eucharistisch brood wordt bewaard. De Godslamp herinnert eraan dat de kerk op bijzondere wijze huis van God is, en wijst op de tegenwoordigheid van Christus in het sacrament. Als er in het ‘tabernakel’ geen eucharistisch brood wordt bewaard, zoals op Witte Donderdag, brandt de lamp niet. De deur van het lege tabernakel staat dan open en de Godslamp is gedoofd tot aan de paaswake op paaszaterdag.

Aan het einde van de viering van Witte Donderdag wordt de paaskaars met de andere liturgische attributen weggedragen, want – omdat Pasen het feest van de vernieuwing is – wordt in de paaswake alles nieuw: de paaskaars, het doopwater, de olie, het eucharistisch brood etc.

Als in de paaswake de nieuwe paaskaars wordt binnengebracht, wordt de Godslamp als eerste daaraan ontstoken.

Protestantse praktijk

In protestantse kerken is het gebruik van de paaskaars een betrekkelijk jonge en niet algemeen aanvaarde praktijk. Hoewel er gemeenten zijn waar men de rooms- of oud-katholieke traditie volgt, heeft de paaskaars in protestantse kerken over het algemeen bijna de functie van Godslamp gekregen. Zij brandt dan ook het hele jaar door. Dat houdt o.m. in dat de paaskaars al brandt als de gemeente binnenkomt. Aan de paaskaars worden alle andere kaarsen (bijvoorbeeld kaarsen op de avondmaalstafel, licht dat meegaat naar de kindernevendienst, de doopkaarsen) aangestoken. Na afloop van de dienst wordt de kaars gedoofd.

In de paasnacht of op eerste paasdag wordt er een nieuwe paaskaars ontstoken en de kerk binnengedragen. De paaskaars staat gewoonlijk bij de doopvont. In een uitvaartdienst staat de paaskaars bij de kist.

Keuzemogelijkheden

Men kan de paaskaars gebruiken volgens rooms- of oud-katholieke traditie: dan is de kaars symbool van de Opgestane Heer en brandt deze van Pasen tot Hemelvaart of Pinksteren en daarna alleen bij doop en uitvaart.

Men kan de paaskaars ook gebruiken volgens de in de protestantse kerk gegroeide gewoonte. Dan fungeert de paaskaars eigenlijk als Godslamp: teken van de aanwezigheid van de Levende Heer.

Wanneer men kiest voor het in protestantse kerken gegroeide gebruik, komt men voor de vraag te staan: hoe om te gaan met de paaskaars in de Stille Week?

Multifunctionele kerkzaal

Wanneer de kerkzaal door de week ook gebruikt wordt door andere gebruikers of wanneer in de vierruimte voorafgaand aan de viering een andere activiteit plaatsvindt (koffiedrinken, concert, vergadering enz.), is het te overwegen de paaskaars pas aan te steken bij de aanvang van de kerkdienst. De volgorde blijft: de viering begint pas wanneer de paaskaars brandt.

Omgekeerd is het niet passend de paaskaars te doen branden tijdens een seculiere bijeenkomst.

Witte Donderdag

Men kan ervoor kiezen met de paaskaars te handelen zoals in rooms- of oud-katholieke kerken met de Godslamp gehandeld wordt: dan wordt op de Witte Donderdag na het avondmaal de tafel afgeruimd en worden alle liturgische attributen weggedragen, inclusief de paaskaars.

De paaskaars kan in een zijkapel gezet worden ten teken dat Christus uit het zicht verdwenen is en Zijn weg alleen gaat. Genoemd wordt in dat verband dat Jezus door zijn discipelen in de steek gelaten wordt en dat in 1 Petrus 3 en 4 (1 Petrus 3: 18-20 en 1 Petrus 4: 6) geschreven staat dat Jezus na zijn sterven dood is naar het lichaam, maar naar de geest tot leven is gewekt en ook aan de doden het evangelie verkondigt. Als de liturgische attributen zijn weggedragen zingt de gemeente bijvoorbeeld het Taizélied ‘Waakt en bidt’ en verlaat de kerk.

De vraag of de paaskaars op Witte Donderdag gedoofd dan wel brandend wordt weggedragen, is er meer een van praktische dan symbolische aard. Men kan op de lege avondmaalstafel een klein lichtje laten branden om niet te vergeten wat we al weten: dat het toch Pasen is geworden.

Goede Vrijdag

Wanneer het doven van de paaskaars gezien wordt als teken van het sterven van Christus, ligt het voor de hand de kaars te doven op Goede Vrijdag na het slot van de lezing over het sterven van Jezus. Voor het sterven is het doven van een kaars een herkenbaar beeld. Bij het overlijden van mensen spreekt men soms ook van een kaarsje dat gedoofd is.

Het doven of juist laten branden van de paaskaars heeft een sterk dramatisch effect. Wellicht geldt dat hoe menselijker men Jezus ziet, des te groter de behoefte is de kaars te doven op Goede Vrijdag, om daarmee te benadrukken dat Jezus de weg is gegaan van alle mensen. Ook nu kan men op de lege avondmaalstafel een klein lichtje laten branden om niet te vergeten wat we al weten: dat het toch Pasen is geworden.

Op Goede Vrijdag:
Ook al sterft Jezus aan een kruis,
zijn levenslicht zal niet doven,
maar elders nog heerlijker stralen.
Als teken daarvan
brengen wij het licht van de paaskaars
nu over naar een kaars onder het kruis.
Die kaars zal blijven branden
ook als de paaskaars wordt gedoofd.