Tekst: Liesbeth Greijdanus-Stenebome
Foto’s: Jan Oberink
Iedere zondag staat er een bloemstuk voor in de kerk. We vinden dat heel gewoon. Net zo gewoon als wanneer we bij de mededelingen voor de dienst in de Zuiderkerk lezen naar wie de bloemen gaan, of zoals in de Oude Helenakerk bij de afkondigingen wordt verteld voor wie het bloemstuk bestemd is. Maar niets is gewoon. Er zit een hele organisatie achter.
Op een zonnige voorjaarsdag spreek ik met Hermien Roelofse en Willy Lammers over wat er zoal bij komt kijken.
‘Ik weet nog precies wanneer ik begonnen ben. Oktober 1982. Ik had toen een zoon van acht maanden oud. Toen ben ik begonnen en ik doe het nog steeds.’ Willy Lammers hoort bij de dames die zorgen voor een bloemstuk in de Zuiderkerk. Hermien Roelofse is in 1986 begonnen als penningmeester van de Protestantse Bezoekdienst en dat doet ze ook nog steeds. Een jaar of vier later werd haar gevraagd of ze ook het bloemschikken voor de Oude Helenakerk wilde coördineren. Hermien vertelt dat zij veel dames had om een bloemstuk te maken. Dat was belangrijk, want zo waren ze slechts drie à vier keer per jaar aan de beurt. Tegenwoordig wordt er niet altijd een bloemstuk gemaakt. Soms wordt er een boeket bij een bloemenzaak in het dorp gekocht, of worden daar bloemen gekocht die dan later door een van de dames van het bloemschikken worden omgetoverd in een bloemstuk. Een enkele keer maakt Hermien zelf een bloemstuk. Altijd voor de OHK.
Willy heeft altijd zelf de bloemen geschikt. Dat betekent in haar geval ook; zelf de bloemen halen, schikken, naar de Zuiderkerk brengen en vervolgens ook vaak naar de mensen brengen na de dienst.
Hermien zegt dat het moeilijk is om mensen te vinden die de bloemen naar iemand willen brengen. Willy bevestigt dat. Ze vertelt dat ze vroeger zelfs wel naar Pronsweide ging om een bloemstuk af te leveren. Tegenwoordig worden er geen bloemstukken meer in de tehuizen bezorgd. Dat heeft onder meer te maken met de lijst van mensen die een bloemetje krijgen.
Adressen waar de bloemen heen gaan
Hermien coördineert nog steeds naar wie de bloemen gaan na de dienst op zondag. Meestal betreft het iemand die ernstig ziek is. Daarom belt Hermien op zaterdag nog met de predikant of pastoraal medewerker of het nog kan. Ze probeert haar lijst zo up-to-date mogelijk te houden. Een enkele keer is het gebeurd dat ze degene voor wie de bloemen bestemd waren ’s morgens nog had gezien en dat diegene ’s middags was overleden. Men vertelde haar later dat ze de bloemen toen naast de kist hadden gezet, maar dat de overledene ze nog wel had gezien. ‘Zo snel kan het soms gaan’, aldus Hermien. Op mijn vraag wie er op haar lijst staan, vertelt ze dat het ernstig zieke mensen zijn of mensen die al op leeftijd zijn. ‘Het gebeurt wel eens dat iemand nog nooit een bloemetje heeft gehad omdat hij/zij nooit ziek is geweest. Dan breng ik zo iemand toch wel eens een bloemetje namens de gemeente. Dat wordt erg op prijs gesteld.’
Hermien vertelt dat er helaas geen bloemen gegeven worden aan mensen die geopereerd zijn aan bijvoorbeeld een heup of knie. ‘De lijst met ernstig zieken gaat voor. Maar als de bezoekmedewerker er vanaf weet en zelf een bloemetje wil brengen dan is daar wel geld voor. Tegenwoordig is er ook maar één dienst per zondag, zodat er per zondag ook maar één boeket naar een gemeentelid gebracht kan worden. Dat was vroeger wel anders. Op zaterdag geef ik aan de bezorger door waar het bloemetje heen moet. Ik maak altijd een lijst voor een heel jaar, zodat de bezorgers weten wanneer zij aan de beurt zijn. Er zijn helaas nog maar enkele dames die dat doen.’
Liturgisch bloemschikken
Jarenlang werden er ook liturgische bloemstukken gemaakt. ‘We hadden daar een boek voor met voorbeelden, uitgegeven door de landelijke kerk’, vertelt Willy. ‘Ik heb dat lang gedaan. Ik ben er zelfs een keer voor naar een beurs in Dieren geweest. Het moeilijkste was altijd het vinden van materiaal. Met Kerst en Pasen had je vaak bloemstukken die iedere week moesten worden aangevuld. Je werkte met kleuren, van donker naar licht bijvoorbeeld. Je moest dan elke week iets anders toevoegen aan dat bloemstuk. Dat was een heel karwei. Ik zorgde ook voor de juiste kleur van het kleed bij het bloemstuk. Dat was dezelfde kleur als van het kanselkleed.’
Hermien valt haar bij en vertelt dat zij de kleden in huis bewaart en altijd even opstrijkt. Het is makkelijker de kleden in huis te hebben omdat je niet altijd de kerk in kunt om er een te halen. Willy vertelt: ‘Het brengen van het bloemstuk moet je ook altijd plannen. Ik bracht een keer op vrijdag het bloemstuk al omdat ik wist dat Ger-Jan Voerman er dan nog was. Hij liep met mij mee en zei dat ik even moest wachten. Ik begreep niet waarom, maar toen bleek dat hij een foto van het bloemstuk wilde maken.’
Voor het zoeken naar materiaal is Willy ook wel het bos ingegaan. ‘Soms was het zo koud. Maar ja, ik moest toch iets hebben.’ Hermien bevestigt dat het vinden van materiaal niet altijd gemakkelijk is. ‘Voor het Restauratiefonds moesten we ook altijd groen hebben. Dus met Kerst was dat meestal geen probleem, omdat er altijd wel wat groen overbleef van het bloemschikken voor de adventsmarkt. Maar voor andere momenten was het lastig. Daarom koop ik nu een boeket bij een bloemenzaak.’
Willy vertelt dat zij in de loop der jaren genoeg vazen heeft verzameld, en voor Kerst heeft ze speciaal een lange plank voor een mooi bloemstuk waarop vier kaarsen passen. ‘Wat ik zo jammer vind is dat er eigenlijk heel weinig aandacht aan de bloemstukken wordt besteed in de dienst. Iedereen gaat er maar van uit dat het gewoon wat bloemen zijn. Vroeger legde een predikant soms wel uit wat de symboliek van de kleuren of de compositie van het bloemstuk betekende. De kerkgangers werd ook de gelegenheid gegeven het bloemstuk na de dienst van dichtbij te bekijken. Maar de meesten liepen gewoon de kerk uit na de dienst. Aan het einde van een dienst worden soms de organist en de koster nog eens bedankt. Maar nooit worden de makers van het bloemstuk bedankt.’
Willy vindt het leuk dat een bloemstuk van haar vaak in KerkVenster staat. ‘Daar ben ik best wel trots op.’
Met een groet van de gemeente
Hermien vertelt dat mensen doorgaans dankbaar zijn voor de bloemen die hun namens de gemeente worden aangeboden. ‘Wat ik nu jammer vind is dat we mensen eerst moeten vragen of ze de bloemen wel willen, en of ze wel vermeld willen worden in het kerkblad. Allemaal vanwege de privacywetgeving. Maar bij kerk-zijn hoort toch omzien naar elkaar? En hoe kun je nu weten wat er met iemand aan de hand is als we dat niet meer in het kerkblad kunnen lezen? Er gaat een stukje spontaniteit verloren. Ik herinner me nog dat ik na de dienst een keer een bloemetje bij iemand bracht die tegen mij zei: ‘Ik luisterde net naar de kerkradio en hoorde dat ik de bloemen kreeg.’ Die persoon vond dat zo leuk. Het doet mensen goed dat ze weten dat er aan hen wordt gedacht.’ Zowel Willy als Hermien hoopt dat er nieuwe mensen bereid zijn om mee te helpen met het maken van een bloemstuk of het bezorgen ervan.
