Op mijn manier was ik heel rijk

Interview met mevrouw Piek-Scholten, geboren 29 april 1919

Waar bent u geboren?

In Barlo, iets verder dan Sturris, het land in. Daar hadden we een klein boerderijtje, maar daar kon je niet van leven.. Mijn vader was zo’n beetje boer.

Met hoeveel kinderen was u thuis?

Jan, Herman, ik, Leidie, Wim en Sieneke. Het laatste meisje heeft maar een half jaar geleefd. Ze kon geen melk verdragen. Ze lag in het kistje met haar doopjurkje aan. Mijn moeder bleef erg verdrietig en toen kwam mijn oma naar haar toe en zei: ‘Je hebt nog vijf kinderen, daar moet je ook naar omkijken.’

Op een gegeven moment zei mijn moeder tegen mijn vader: ‘We gaan naar Bre’voort heen.’ ‘Wat moeten we daar nu doen,’ zei mijn vader. ‘Ik ga leren voor bakeren in Aalten,’ zei ze. Dat heeft ze gedaan. Na een jaar leren ging ze aan het werk. Ze had een doortrapfiets die altijd klaarstond, zodat ze weg kon als ze geroepen werd. We gingen wonen op Officiersstraat 2. Dat huis bestaat nog. Mijn vader had een stukje land en verbouwde alles zelf, eerst op de Sturrisdijk en later in Bredevoort. Hij deed tuinen in Doetinchem en hij maakte zelf klompen. Ik weet nog hoe ik speelde als hij in de schuur aan het werk was.

Mijn oudere broers zaten eerst nog op school in Barlo. Pas in 1924 kwam er hier een christelijke school en daar ging ik en mijn zus heen. Ik vond het heel leuk op school. In de 7e klas ging ik voor en na schooltijd in betrekking bij de familie Huitink. Ik was nog maar zo’n kind (twaalf jaar). Daar moest ik voor schooltijd de kinderen die dat zelf niet konden, aankleden en mee naar school nemen. Het waren lieve kinderen, ik had er geen last mee. Na school moest ik helpen en afwassen na het avondeten. Ik deed ook de was en dan moest ik met een zware kruiwagen naar de beek bij de molen om de was te spoelen en dan ophangen op zolder. Mijn zusje is een keer bij het bruggetje van Spar Boom in het water gevallen. Er kwam gelukkig iemand langs, die haar uit het water heeft gehaald. We konden niet zwemmen. Daarna durfde mijn zusje de was niet meer te spoelen, dus mijn moeder ging met haar mee de eerste paar keren, maar dat kon niet altijd. Ik ben er gelukkig nooit in gevallen, bij de molen kwamen ook veel minder mensen langs. Ik had wel kunnen verdrinken. Ik moest ‘s avonds tot negen uur bij mijn dienstje blijven: kousen stoppen en knopen aannaaien, behalve op zondag, dan mocht ik eerder naar huis. ‘s Zondagsmiddags moest ik wandelen met de kinderen.

Wat verdiende u?

Niks! Op school vroeg de meester me dat een keer. Ik zei: ‘niks, meester’. Toen werd hij vreselijk kwaad op míj. Ik begon te huilen want ik kreeg daar alleen eten. Hij geloofde me niet!

Zonder onze moeder hadden we het niet gered. Zij verzorgde ons als we ziek waren. Mijn zus had TB en moest buiten in een tentje liggen voor de frisse lucht. Ze ging niet naar een instelling, mijn moeder verzorgde haar zelf. Ik kreeg difterie en was drie maanden van school af (in de 8e klas) en daarom kon zij niet werken vanwege besmettingsgevaar. Mijn moeder zong altijd en ook maakten we op de vrije zondagavond muziek. Er kwamen vrienden en vriendinnen langs. Herman die niet goed kon werken en naar de Mulo ging, speelde viool en Jan die bij de boer werkte, trek- en mondharmonica. Om tien uur gingen we naar bed.

Ik heb veel geleerd op de meisjesvereniging van mevr. van der Ploeg (domineesvrouw). Ze vertelde ons dat we – als we getrouwd waren – nooit met ruzie naar bed moesten gaan.

Later ging ik in Aalten oude mensen helpen, maar ik heb ook in Bussum in een bejaardentehuis gewerkt, toen ik een jaar of negentien was. Daar werkten we met meisjes uit heel Nederland. Alleen Stientje Veenhuis die in de keuken hielp, kwam ook uit Bredevoort.  De directrice was heel streng. Maar ze was een goede! Om 10 uur moesten we thuis zijn en om 11 uur naar bed. Het eten was daar heerlijk en we kregen de restjes van ‘s middags, ‘s avonds op het brood. We aten altijd alles helemaal op. Later in Bredevoort ben ik nog bij de zusters geweest om te leren naaien. Ik had een zevenenhalf voor het naaien van een eigen jurk. Dat was heel goed. Een negen of tien kreeg niemand. Ik heb heel veel trouwjurken genaaid. Toen mijn zuster trouwde, kon ze een hele dure jurk van haar schoonzus lenen, maar ze koos toch voor mijn zelfgemaakte jurk.

Hoe hebt u uw man leren kennen?

Dat ging zo raar. Mijn man woonde op de Ambthuiswal en fietste altijd door de Officiersstraat. Ik had toen ook TB en lag daar buiten in een bed dat mijn moeder van stoelen had gemaakt. Hij zag me liggen en ik zag hem omkijken. Later kwam hij zo maar aan. Toen hij verkering vroeg zei ik: ‘daar moet ik nog even over denken’. Ik heb heel veel van hem gehouden. Een keer waren we kwaad op elkaar en toen moest ik weer aan de domineesvrouw denken en heb ik het goedgemaakt. Stel je voor als een van ons dood zou gaan ‘s nachts? Hij zei vaak tegen me: ‘Je bent een ondeugend ding’.  We woonden eerst in noodwoningen, waar nu Betting is. Mijn man vond het maar een hok. Hij was metselaar. Ik schilderde zelf de muren en het plafond. Dat deed ik door een stoel op een tafel te zetten. Ik heb achteraf vaak gedacht dat ik een beschermengel heb gehad. Later zijn we in de Izermanstraat gaan wonen. Wij waren de eersten die in de nieuwe woningen kwamen. De jongens waren er toen al. Mijn man was zelf thuis met negen kinderen en ging vaak met honger naar bed. Hij wilde niet veel kinderen. We kweekten de hele zomer groenten voor de winter. Die gingen in de weck, later hadden we een diepvries. We maakten ook zelf zuurkool, met een steen er op om de deksel naar beneden te houden.

Wat zou u mensen vandaag willen meegeven?

Het is goed om zuinig te zijn. Als ik geld kreeg, dan verdeelde ik dat over zeven buismanblikjes hoeveel ik voor die week af moest staan. Dan had ik daar altijd geld voor als ze aan de deur kwamen. Mijn man vond het eerst onzin, maar later was hij het met mij eens. De mensen die het geld kwamen ophalen zeiden: ‘Ik wilde dat iedereen het zo regelde’.

Wat niet kan, dat kan niet, zo denk ik er over. Op mijn manier was ik heel rijk! Dat kan ik gerust zeggen.