KOM VANAVOND MET VERHALEN …

Viermaal heb ik het kamp Auschwitz bezocht, met volwassenen en met jonge mensen. In drie talen (Nederlands, Pools en Engels) lazen we daar de woorden van de dichter Leo Vroman:
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
De verhalen moeten verteld worden, steeds opnieuw, ook door de generatie van ‘na de oorlog’, waartoe ikzelf behoor. Ze laten zien wat oorlog met mensen doet.

In alle narigheid van de oorlog waren er ook mooie momenten, waaronder het huwelijk van mijn ouders op 4 mei 1944. Na afloop van de huwelijksdienst in de Westerkerk stond voor hen een erehaag klaar, gevormd door leerlingen van de huishoudschool; dit schoolgebouw stond op de plek waar nu de HEMA is. Mijn moeder werkte daar tot aan haar trouwen. De foto van deze gebeurtenis doet niet vermoeden dat het oorlog is, maar schijn bedriegt. Veel was ‘op de bon’. Er moesten bonnen gespaard worden voor het bruiloftsfeest. Nog belangrijker was de vraag: hoe komen we aan woonruimte? Er werd weinig tot niets gebouwd; huizen lagen in puin door oorlogsgeweld. Mijn ouders hadden het geluk dat er ruimte was voor hen in het oude boerderijtje Boomkampstraat 2. Vanuit de negentiende eeuw was dit een Ter Maatshuis, maar dan van mijn moederskant; haar achternaam veranderde niet bij hun huwelijk! De stiefgrootmoeder van mijn moeder woonde in dat oude huis en het jonge stel mocht komen inwonen. Het bruidspaar kreeg de beschikking over een woonkamer, een slaapkamer en een piepklein keukentje; de deel en de houten plee waren voor gemeenschappelijk gebruik.

Hun eerste kind zag op 5 maart 1945 het levenslicht. Vanwege het gevaar van bombardementen werden er in de kerkgebouwen geen diensten meer gehouden; mensen kwamen thuis bij elkaar onder leiding van een dominee of een ouderling. Zo kon het gebeuren dat op zondag 11 maart in het ouderlijk huis van vader, Bodendijk 5, de jonge Hendrikus met water uit de pomp werd gedoopt.

Het was zaterdag 24 maart; leraressen van de huishoudschool waren bij moeder op kraambezoek; vader was naar zijn werk op de ‘botterfabriek’. Plotseling begonnen de bommen te vallen, met als doelwit de fabrieken in de Dijkstraat en de spoorlijn. Achttien mensen kwamen om het leven bij dit bombardement. Het huis in de Boomkampstraat lag pal tegen het spoor aan. Moeder vertelde later dikwijls: ‘Ik weet echt niet waar het kraambezoek is gebleven. Ik had slechts oog voor de kleine; hem wilde ik in veiligheid brengen; ik heb hem opgepakt en ben weggevlucht over het land, over de spoorlijn richting de Bodendijk; om me heen ontploften de bommen. Gelukkig waren het tijdbommen, anders hadden wij het er niet levend afgebracht. Bij de familie op Bodendijk 5 sloeg op dat moment door het geweld van de bommen de angst ook toe: ‘Dat is de Boomkamp!’ Als kind kreeg ik van moeder al te horen: ‘Sientje – de oudste zus van vader – liet zich niet tegenhouden door haar familie: ‘Ik ga naar Hanna! Ze snelde over het land richting de Boomkamp.’ Moeder heeft het nooit vergeten: ‘Sientje kwam mij tegemoet!’ Eenmaal veilig aan de Bodendijk, moesten de ogen van de negentien dagen oude baby helemaal schoongemaakt worden. Deze zaten vol met zand vanwege de bommen die om hen heen ontploft waren.
Vader en moeder zijn vandaar met de kleine naar Grevinkweg 10 gegaan, het ouderlijk huis van moeder. Moeder was er heel open over: ‘Eenmaal bij mijn moeder kwam alle spanning eruit en moest ik hartstochtelijk huilen.’

Op Goede Vrijdag, 30 maart, wilde vader vanuit het Grevink naar zijn ouderlijk huis aan de Bodendijk om melk te halen. Maar hij is niet ver gekomen; hij werd gewaarschuwd: ‘De Tommy’s komen eraan!’ Hoe gevaarlijk het was, merkten ze aan de Bodendijk. De familie daar zat in de schuilkelder; plotseling voelden ze de grond trillen, ze wilden uit de schuilkelder klimmen, rakelings reed er een tank langs; de Tommy’s die erin zaten, beduidden hen in de schuilkelder te blijven. Toen het geweld voorbij was, zagen ze op Plein Zuid dode lichamen liggen. Ook op het land, dat toen nog behoorde bij hun boerderijtje aan de Bodendijk, lag een gesneuvelde Britse soldaat; nu een speelveld voor kinderen en jongeren, ingeklemd tussen de woningen aan de Vondelstraat en de Parallelweg, naast de school.
Aan het einde van de middag zagen vader en moeder vanuit het Grevink hoe in het glooiend landschap van De Es Duitsers met de handen omhoog tevoorschijn kwamen uit het bos.

Als jongetje van bijna vijf merkte ik wat oorlog kan veroorzaken. In 1953 waren de woonkamer en de ene slaapkamer van Boomkampstraat 2 wel erg vol geraakt; vier kinderen waren er ondertussen geboren. De woningnood was schrikbarend groot. Het lukte mijn ouders een eigen huis te kopen, Polstraat 41. Maar voordat we ernaar toe verhuisden, mochten mijn twee oudere broertjes en ik samen met mijn vader en zijn broer Bertus onder de vloer van een van de kamers kruipen. In de oorlog was die helemaal uitgegraven; er moest geel zand worden ingebracht. Op de eerste verdieping konden we via een kast tussen de muur van de slaapkamer en de gebroken kap van het huis komen. Beide ruimtes waren bedoeld om zich te verstoppen wanneer er soldaten kwamen om mensen op te pakken. Op de achtermuur stond met verf geschilderd: OZO. Mijn vader legde uit dat het betekende: Oranje zal overwinnen.

Met ons gezin gingen we elke zondag naar de Oosterkerk. De soldaten, uitgebeeld op het Gedenkraam, gaven mij een beangstigend gevoel: ‘Als het nu maar niet gebeurt.’ Het was immers de tijd van de Koude Oorlog. Maar als kind werd ik nog meer in mijn hart geraakt wanneer ik meester Weenink uit Barlo en zijn vrouw met enkele kinderen zag binnenkomen. Op Goede Vrijdag 1945, de dag van de bevrijding, kwamen vijf kinderen van hen om het leven, terwijl ze al een zoon verloren hadden door de oorlog. De kleine jongen van toen is nu al lang vader, en ook al weer een hele tijd opa en ik kom niet verder dan ‘O, God …’. Of zoals Leo Vroman het onder woorden bracht: ‘… alle malen zal ik wenen.’

Veel hebben mijn vader en moeder mij verteld over de oorlog, maar niet alles. Iemand vertelde mij: ‘In de oorlog vroeg de directeur van de zuivelfabriek aan jouw vader: ‘Ter Maat, hoe komt het dat je zo rustig bent?’ Het antwoord van mijn vader was kort. Hij zei, terwijl hij naar boven wees: ‘Er is er Eén, Die voor ons zorgt!’
Toen ik in 1966 theologie ging studeren, ging ik met een medestudent naar zijn ouderlijk huis. Wat bleek? Zijn moeder was een van de leraressen van de huishoudschool in Aalten en had mijn moeder goed gekend. Ze liet zich ontvallen: ‘Jouw moeder was een dappere vrouw in de oorlog!’ Ik vertelde dat tegen mijn moeder. Zij wuifde het meteen weg; het enige wat ze zei, was: ‘We hadden veel meer moeten doen. We hadden voor de treinen moeten gaan liggen, toen de Joden werden afgevoerd.’
Twee verhalen over mijn ouders, die elkaar aanvullen. Ze vertellen ons: Heb vertrouwen in God! Maar tegelijkertijd mag de vraag niet verstommen: Doe ik zelf wel genoeg tegen onrecht?

ds. Gerhard ter Maat