Boekenplein

In deze rubriek treft u boekenrecensies, besprekingen en aanbevelingen aan. Het zijn boeken die altijd iets met geloof en/of religie te maken hebben. Het kunnen ook boeken zijn die door lezers van KerkVenster aanbevolen zijn om te lezen.
Boeken zijn altijd te bestellen via de boekhandel.

Wat bezielt een 21e-eeuwer om zich te verdiepen in verhalen over God?

Boekbespreking: God en ik

Het boek ‘God en ik’ werd geschreven door de jonge theoloog Alain Verheij (geboren in 1989). Het verscheen in april 2018. Ruim zes maanden later werd het uitgeroepen tot het beste theologische boek van 2017 / 2018. Inmiddels is de vierde druk verschenen. Waarom zou u of jij dit boek moeten lezen?

Hoe vaak komt het voor dat je een theologisch boek cadeau wilt doen aan je kinderen?

Ik denk maar erg weinig. Toch bestelde ik bij onze plaatselijke boekhandel voor onze beide kinderen en hun partners een exemplaar van ‘God en ik’. Waarom? Omdat dit boek op een toegankelijke, persoonlijke en prikkelende manier laat zien wat je als weldenkende 21e-eeuwer kunt leren van de Bijbel. Zoals het staat op de achterflap ‘Al eeuwenlang putten mensen kennis, goede raad, hoop en troost uit de Bijbel. Aan de hand van deze oude verhalen werpt ‘God en ik’ licht op hedendaagse levensvragen.’

De schrijver

Alain Verheij, de auteur, groeide op in wat nu de Protestantse Kerk wordt genoemd. Later werd hij lid van een evangelische gemeente en nog later van de Nederlands Gereformeerde Kerk. Tegenwoordig beschouwt hij zichzelf als randkerkelijk theoloog.  Hij studeerde theologie en bijbelwetenschappen en is bezig met promotieonderzoek aan de Universiteit van Leiden. Hij is lid van het Theologisch Elftal van Trouw en is regelmatig te horen als radiocommentator bij KRO/NCRV. Hoewel hij niet meer zo vaak naar kerkdiensten gaat, kan de kerk wel rekenen op zijn sympathie. Hij ervaart het als waardevol dat hij kan putten uit wat hij heeft meegekregen, bijvoorbeeld van zijn ouders, maar ook van anderen die hem hebben gevormd tot wie hij nu is. Zijn boek is geen succesverhaal: zo schrijft hij ook over zijn echtscheiding (na een huwelijk van slechts enkele jaren) en over de impact die dit heeft gehad op zijn geloof en leven.

Motivatie en doelgroep

In ‘God en ik’ bespreekt Alain Verheij een groot aantal bijbelverhalen en verbindt deze met het dagelijkse leven in de 21e eeuw. Hij zoekt naar de relevantie van oude woorden voor mensen in een ontkerkelijkt Nederland. Dit doet hij op een vrolijke, maar ook diepgravende manier en hij gaat daarbij uit van zijn eigen levensgang. Zoals het staat in de inleiding: ‘In zeven hoofdstukken neem ik je mee in mijn verhaal met de Bijbel: van mijn allereerste kerkbezoek als baby tot mijn huidige werk als theoloog van bijna dertig. Zo krijg je een soort ‘best of’, een proeverij uit de wondere wereld van het christendom.’ 

Het boek is niet speciaal gericht op gelovigen. Het is juist goed te volgen voor niet-ingewijden. Daarbij veronderstelt Verheij zo weinig mogelijk voorkennis. Achter in zijn boek heeft hij een handige ‘verklarende woordenlijst’ opgenomen, waarin allerlei termen uit het christelijk geloof zijn verzameld. Ook een namenlijst en een kort overzicht van hoe de Bijbel in elkaar zit ontbreken niet.

Waarom schrijft Alain Verheij dit boek eigenlijk? In ieder geval niet om mensen te bekeren. Wel omdat hij zelf de verbindende waarde ervaart van verhalen die al eeuwenlang inspireren en troosten. Misschien is het veelzeggend dat hij zijn boek heeft opgedragen aan zijn grootouders: wat generaties verbindt blijft ook in de 21e eeuw de moeite van het onderzoeken waard!

Zeven hoofdstukken

Het boek bevat zeven hoofdstukken, die ik hieronder wil noemen met telkens een korte beschrijving.

1.    Het leven overkomt je

Verheij zet in bij zijn eerste kerkbezoek: zijn doop in 1989. ‘Als het welpje Simba uit De Leeuwenkoning werd ik gepresenteerd aan de gemeenschap en aan de God van mijn ouders en grootouders’.   Is die door de ouders gekozen kinderdoop niet een ultiem teken van afhankelijkheid? Als pasgeborene heb je immers niets te kiezen?  Of is dat misschien juist heilzaam?

In dit hoofdstuk worden bijbelverhalen uitgewerkt waarin het begrip ‘verbond’ een rol speelt: het verhaal van de Ark van Noach, het verhaal van Abraham en Sara, en het verhaal van Mozes en Aäron en Israëls bevrijding uit Egypte.

2.    Alledaagse Rituelen

Dit tweede hoofdstuk beschrijft op pakkende wijze een aantal rituelen, gedefinieerd als markeringen in de tijd. ‘Rituelen dwingen je om even stil te staan, je geest op te ruimen en bewuster te kijken naar jezelf, de ander en het leven.’ Zo gaat het over zegenen en bidden, maar ook over rusten en vertellen. In het onderdeel ‘zingen’ komen enkele ‘tophits van het christendom’ voorbij, zoals psalm 23. Ook het Lied van de Schepping wordt uitgelegd, als ‘troostrijk antigif’ tegen het gevoel van leegte en onmacht dat ieder mens bij tijden kan bevangen.

3.    Radicaal puberen

Toen hij veertien jaar was, werd Alain (met zijn ouders en zijn zusje) lid van een evangelische gemeente. Hij werd opnieuw gedoopt, en dat markeerde ‘de radicaalste geloofsfase in mijn leven’.  Hij kwam terecht in een ‘evangelische bubbel’, waarin hij zich toen goed voelde.  In dit hoofdstuk beschrijft hij het leven van Johannes de Doper en de Bergrede van Jezus.

Ook bespreekt hij aan de hand van Prediker het filosofische begrip ‘tweede naïviteit’. Opgroeien gaat vaak gepaard met ontgoocheling en periodes waarin al wat goed en vast leek op losse schroeven komt te staan. Soms wil je alles overboord gooien. Maar: ‘Een leven met een onttoverd wereldbeeld doet meer pijn en glanst minder’. In de post-kritische fase kan opnieuw ruimte komen voor verwondering. 

4.     De ontdekking van het lichaam

Het vierde hoofdstuk is te lezen als een pleidooi voor experimenteren: ‘Het is onmogelijk om levenslessen te leren zolang je geen vuile handen wilt maken’.

In dit hoofdstuk gaat het over seks, maar ook over bewust consumeren, over schaamte en oordeel en over de vastentijd / veertigdagentijd. Die wordt gezien als een ‘detox’, die zorgt voor meer zelfreflectie en solidariteit. Het Hooglied komt ter sprake, maar ook bijbelse richtlijnen voor eten en drinken worden besproken (met Daniël als de eerste geregistreerde veganist).

5.    Richting kiezen

Alain Verheij maakte in zijn late tienerjaren een bijzondere overstap: hij werd lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk, waar hij ook zijn vrouw vond. En hij ging theologie studeren. Zo maakte hij kennis met minder bekende Bijbelverhalen, waarvan hij er in dit hoofdstuk verschillende bespreekt, bijvoorbeeld het ontroerende verhaal van Rispa (‘de minst bekende vrouw in de Bijbel’). Ook de geschiedenis van Jona (‘een Bijbelse kluchtfiguur’) komt aan bod. Dit hoofdstuk eindigt met een mooi stuk over het kerstfeest.

6.    Omgaan met tegenslagen

De theologiestudie bracht Verheij niet alleen kennis en inzicht, maar ook twijfel en onzekerheid. Zijn huwelijk leed schipbreuk en hij verliet de Nederlands Gereformeerde Kerk. Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij weer bij zijn ouders ging wonen. Zijn masterstudie theologie schreef hij op zijn oude tienerkamer. Hij verdiepte zich in de verschillende manieren waarop mensen in de Bijbel met tegenslagen omgingen. Hoe deed David dit? En Job? Soms moet je vechten met de Ander, zoals Jacob het ooit deed. Het levensverhaal van Jozef staat voor veerkracht, maar ook voor herstel van hopeloze situaties. En Mozes’ leven is een protestverhaal tegen uitbuiting.

De laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaat over de kruiswoorden van Jezus, die worden beschreven als zeven lessen over omgaan met pijn.

7.     Zin in het leven

Een optimistisch hoofdstuk over het goede leven, over het vertrouwen dat jij er mag zijn. Pasen en Pinksteren passeren hierbij de revue. Maar het gaat ook over het belang van de Maaltijd en over de sociale kracht van gezamenlijk eten. De noodzaak van verschillen wordt besproken, maar ook de betekenis van een woord als ‘genade’ komt aan de orde (‘Genade is wat de wereld écht laat draaien’). Het slot van dit laatste hoofdstuk wordt gevormd door een citaat uit I Korintiërs13, het loflied op de liefde.

Na deze zeven hoofdstukken volgt een korte epiloog. Hierin spreekt de schrijver de hoop uit dat de lezer uit zijn ‘best of’ van de Bijbel inspiratie haalt voor zijn of haar eigen leven.

Mooie zinnen

Het boek bevat veel mooie zinnen. Enkele daarvan staan in het eerste hoofdstuk in een gedeelte over de kinderdoop: ‘Tegen mij als baby zei de kerk: je bent als weerloos schepsel geboren, maar jouw bestaan heeft een bedoeling. Je bent een druppel in een oceaan van zes miljard mensen, maar vanaf nu hoor jij bij ons en hier ben je gekend en geliefd. Je zult niet ontsnappen aan alle worstelingen waar ieder mens deel aan heeft, maar onthoud alsjeblieft dat er altijd hoop is.’

Waarom moet je dit boek lezen?

Ik begon deze bespreking met de vraag : Waarom zou u of jij dit boek moeten lezen?

Ik hoop dat jij/u dat na lezing van dit artikel zelf wilt gaan ontdekken. Als je het aan mij vraagt zou ik zeggen: het doet je goed meegenomen te worden door een moderne theoloog die het aandurft persoonlijk en met humor te schrijven over zijn geloof. Een jonge denker die op een originele wijze lijnen durft te trekken tussen de bijbelse verhalen en onze levensverhalen.

En nu maar afwachten wat m’n kinderen ervan vinden!

                                                                                      Marieke Andela-Hofstede

Alain Verheij / God en ik – Wat je als weldenkende 21e-eeuwer kunt leren van de Bijbel

Uitgeverij Atlas Contact, prijs € 18, 99

Dit boek wil ik hier bespreken.

Rupert Sheldrake (geboren 1942) is een Engelse professor in de biologie in ruste, die van atheïstische student via religieuze interesse en meditatie in India, weer terugkwam bij de religie van zijn familie: het christendom. Hij is een originele denker, die baanbrekend en controversieel wetenschappelijk werk heeft verricht en uitvoert.

De zeven gebruiken, die hij bespreekt zijn:

·        het stiltegebed (meditatie),

·        dankbaarheid,

·         verbinding maken met wat groter is dan wij,

·        de band met planten,

·        rituelen en het verleden herleven,

·        samen zingen en de kracht van muziek,

·        pelgrimage en heilige plaatsen.

 

Hij beschrijft deze gebruiken en toont door wetenschappelijke onderzoeken aan, hoe ze helend zijn voor mensen die zich ermee bezighouden. Eigenlijk kent elke godsdienst deze gebruiken, sommige meer nadrukkelijk dan andere. Sheldrake eindigt elk hoofdstuk met praktische oefeningen of aanbevelingen om het gebruik in je leven een plaats te geven. Hij geeft aanwijzingen voor gelovigen en ongelovigen, om ze in praktijk te brengen.

Ik vind dit boek een verademing. Natuurlijk weten wij als gelovigen wel dat het rust geeft om te bidden, dat zingen je optilt, dat het goed is om je zegeningen te tellen en fijn om op vakantie een kerk binnen te lopen. Meestal worden deze dingen als positief gezien door de gelovigen, terwijl anderen ze achterhaald vinden. Wat ik een verademing vind, is dat deze positieve ervaringen wetenschappelijk aantoonbaar een goed effect hebben op onze kwaliteit van leven. Door buitenstaanders nutteloos geachte handelingen blijken voor iedereen aantoonbaar van waarde. Ook rituelen die vaak aan ons voorbijgaan en waar we ons wel eens van afvragen wat het eigenlijk betekent, blijken heilzaam. Het is  verfrissend om eens heel anders te kijken naar iets als ‘symbolisch bloemschikken’. Zonder planten missen we volgens Sheldrake in de kerk iets essentieels. De eerste drie van de gebruiken die hij aansnijdt, wil ik uitvoering behandelen. Dat levert al genoeg tekst op. Andere religieuze gebruiken komen wellicht op een andere manier of een andere keer aan de beurt.

 Alle religies kennen vormen van meditatie, inclusief de christelijke. Het is de spirituele praktijk die zich het meest op inkeer richt. Meditatie wordt in onze christelijke traditie ook wel ‘stiltegebed’ genoemd: een gebed waarbij je geen gedachten formuleert, maar in stilte de gedachten die bij je boven komen aan de kant schuift en jezelf leegmaakt voor God. Monniken praktiseren dit gebed onder andere als deel van ‘lectio Divina’ een manier van Bijbellezen, waarbij je de tekst uit de Bijbel rationeel overweegt, vervolgens bevoelt op hoe de tekst tot jou spreekt, daarna formuleer je een antwoord en tenslotte ben je stil. In de stilte laat je alles wat door je heen is gegaan los. Ook in andere tradities gaat het soms om je gedachten stil te laten vallen, maar je kunt ook een woord of (Bijbel)tekst als focuspunt van je meditatie gebruiken. In mindfullness, een geseculariseerde vorm van boeddhistische meditatie is er ook een vorm waar je je mediterend richt op het steeds meer liefhebben van alles

(loving-kindness meditation). Sheldrake vertelt door middel van wetenschappelijke onderzoekingen, dat onze breinactiviteit verandert door meditatie. Hoe langer en vaker je het praktiseert, hoe meer gamma-stralen onze hersenen produceren als ze gemeten worden. Meditatie vermindert mogelijk piekeren, obsessies, smachten, fantasieën en jezelf in gedachten verliezen. Dat zijn de activiteiten waar ons brein mee bezig is als we zonder gerichte taak zijn. Het wordt het DMN (Default Mode Network), in het Nederlands default netwerk genoemd. Dit is een deel van ons brein dat we nodig hebben om te functioneren, maar dat soms moeilijk is stop te zetten. Iedereen die ‘s nachts heeft liggen piekeren, kent de nadelen van deze toestand. Meditatie gaat dit tegen, maar ook extreme sporten waarbij je enorm gefocust moet zijn op je volgende stap of beweging (bergbeklimmen). De aanbevelingen die hij aan het eind van het hoofdstuk geeft zijn: breng tijd in stilte door en ga mediteren op de manier die bij uw religie hoort (mindfullness voor de a-religieuzen)

 Het tweede hoofdstuk heet de stroom van dankbaarheid (the flow of gratitude). Hij stelt dat dankbaarheid het tegenovergestelde is van alles in het leven voor lief nemen. Zodra we stoppen met alles in ons leven als vanzelfsprekend te zien, blijkt dat we bijna overal dankbaar voor kunnen zijn. Dankbaarheid uiten beïnvloedt ons leven positief. Dit is onderzocht in de ‘positive psychology’  sinds het jaar 2000. De ‘dankbaren’ zijn minder geneigd te klagen, hebben een betere gezondheid, zijn meer geneigd het goede voor hun gezondheid te doen en  zijn aardiger voor anderen. Het enige nadeel is dat dit gegeven in sommige bedrijven wordt uitgebuit. Werknemers, die slecht behandeld worden, krijgen te horen dat ze hun eigen ellende veroorzaken, omdat ze niet dankbaar zijn, terwijl het bedrijf hen onderbetaalt en werknemersrechten afpakt. Dan is dankbaarheid een valstrik. Als er geen misbruik van wordt gemaakt door anderen is dankbaarheid een goed iets, wat onderling samenleven bevordert. Mensen die geen dankbaarheid kennen, worden eerder gemeden door anderen en zijn zelden populair. Sheldrake haalt de neuroloog Oliver Sacks aan die het boek Dankbaarheid schreef toen hij stervende was aan kanker. ’Ik kan niet net doen alsof ik nooit bang ben, maar mijn belangrijkste gevoel is dankbaarheid. Ik heb liefgehad en ik ben liefgehad. Ik heb veel ontvangen en ik heb iets terug kunnen geven….

Boven alles: ik ben een wetend wezen geweest op deze prachtige planeet, en dat op zichzelf is een groots privilege en avontuur.’ Dankbaarheid  tonen is jezelf verbinden met deze leven-oproepende stroom. De aanbevelingen zijn: tel elke dag weer de dingen waar u dankbaar voor bent (alle ouderen zingen nu zachtjes: ‘tel uw zegeningen’) en dank voor het eten. Niets is vanzelfsprekend.

‘ Opnieuw een band aangaan met een bovenmenselijke wereld’  heet het  hoofdstuk dat de eerste geschiedenis induikt. Het beschrijft hoe de kerkvaders voor en in de middeleeuwen het goddelijke verborgen zagen in de wereld om hen heen. Pas met de verlichting verandert dat en dan ziet men God als de ‘horlogemaker’ terwijl de wereld het horloge is. Later wordt God in de wetenschap helemaal uit het verhaal geschreven en geloven wetenschappers alleen dat materie echt is. Niet materiële dingen bestaan niet, de ziel, een geest en zelfs bewustzijn wordt gezien als iets wereldvreemds. Toch is dat laatste voor wetenschappers enigszins een probleem, omdat ze zelf bewustzijn hebben. Waar komt dat dan vandaan? De theologie nam ondertussen in de wetenschap een steeds kleinere plaats in en ging eigenlijk over iets dat volgens de wetenschap niet bestaat. Het tij lijkt te keren. Een paar wetenschappers  in Amerika zijn overgestapt van hard materialisme naar de aanname dat  bewustzijn bestaat, maar niet alleen in mensen, maar in alle dingen die zichzelf in stand houden: mensen, dieren, atomen, planeten. Als de planeten bewustzijn hebben, misschien heeft ook de kosmos een bewustzijn, een innerlijk en wellicht komt dat heel dicht bij wat men wel bij God ervaart. Sheldrake geeft hier een soort van wetenschappelijke grond voor het bestaan van God, dat wat boven ons uit stijgt.  Zo komt hij hier via de wetenschap uit bij een reden om  de zon te groeten, of het water, of andere dingen in de natuur, zoals Fransiscus doet in het zonnelied gezang 400 uit het oude liedboek: ‘Gelooft om gans uw creatuur, ten eerste om dat blinkend vuur, die warme schitterende bron, de heer des hemels broeder zon’. Zijn aanbevelingen zijn om een plek in de natuur te zoeken, waar je je op je gemak voelt en verbonden met alles om je heen, onder je geliefde boom in de tuin, op het strand of in het veld. De andere aanbeveling is de zon te groeten bij opkomst of ondergang en te danken voor de energie, waar al het leven uit voortkomt.

Het boek gaat ook nog in op onze relatie met planten, het belang van oude rituelen, muziek die ons optilt en de bijzondere plaatsen die we bezoeken. Bovendien blijkt dat ook de schrijver zelf al aan het broeden is op een volgend boek met nog meer religieuze gebruiken. Ik hoop in ieder geval dat u als lezer een indruk heeft gekregen van dit nieuwste boek van een bijzondere professor in de biologie, die via de exacte wetenschap het belang van godsdienstige gebruiken wil aantonen en dat mijns inziens heel overtuigend doet.

Boeken:

Rupert Sheldrake, Science and Spiritual Practices, Londen 2017

Oliver Sacks, Gratitude, Londen 2015